11-09-04

Ernest Claes werd ontvangen op het tiende weekend

Het tiende weekend startte op 23 januari 1954 en naast dichter Marnix Van Gavere, architect Huib Hoste, musicus Steven Candael, etser René de Coninck, schilder Gilbert Swimberghe, declamator Van Vlaenderen en priester Edgar Benoot, was Ernest Claes de voornaamste gast. Ernest Claes werd geboren te Zichem op 24 oktober 1885 als jongste zoon in een groot landbouwersgezin met negen kinderen. Vader en moeder (Jozef Claes en Theresia Lemmens) moesten hard werken, maar waren niet onbemiddeld. Grootvader aan moederskant was een hereboer. De voorouders van vader hadden zelfs nog deelgenomen aan de Boerenkrijg. De ouderlijke hoeve fungeerde ook als herberg en pleisterplaats voor rondzwervende en voorbijtrekkende lieden die de vreemdste fantastische verhalen vertelden aan het haardvuur en een bron van inspiratie waren. Zijn jongensjaren sleet hij in het landelijke Zichem waar bengelstreken in beemden en bossen zich afwisselden met het grijze schoolbestaan. Als kind leed hij aan een ernstige oorkwaal en werd hij met blindheid bedreigd.

Hij maakt voor het eerst kennis met de litteratuur in de strafkamer op school waar hij werk van Conscience, o.a. "De Leeuw van Vlaanderen". Na zijn "Plechtige communie" in 1895 - het jaar dat ook zijn vader stierf - werd hij ingeschakeld in het landbouwbedrijf. Eind 1897 kwam hij in de drukkerij van de Abdij van Averbode in dienst als drukkershulp. Hij liep van 1898 tot 1905 college in Herentals (volledig in het Frans). In die periode logeerde hij bij een modiste (Fien Janssens). Tijdens zijn collegejaren stond hij bekend als een ijverig en weetgierig leerling. Hij werd een bewonderaar van Rodenbach en een aanhanger van de Vlaamse Beweging. In het laatste collegejaar woonde hij tijdens de vakanties streng verboden vergaderingen van "Vlaamse studentenbonden" bij. Op school liep hij verschillende straffen op voor zijn flamingantisme. Hij kreeg zelfs een pak ransel wegens het zingen van de Vlaamse Leeuw. Maar ondanks zijn onstuimig temperament was hij een knap en gewaardeerd student. Na het beëindigen van de Retorica was hij korte tijd redacteur in de uitgeverij van Averbode. In 1906 ging hij studeren aan de Leuvense universiteit. Hij liet zich inschrijven voor de eerste kandidatuur "philologie germanique". Korte tijd later werd hij ingelijfd bij de "compagnie universitaire" van het l0e Linieregiment. Hij was dus student tijdens zijn legerdienst. Ook bij het leger ondervond hij moeilijkheden wegens zijn vlaamsgezindheid.

Wegens Vlaams-Waalse vechtpartijen in uniform had hij meermaals kamerarrest. In die periode schreef hij ook zijn eerste hoofdstukken van "De Witte", die hij met succes voordroeg. Hij werd hoofdredacteur van "Ons Leven" en zelfs voorzitter van het AKVS (Algemeen Katholiek Vlaams Studentenverbond). Om zijn flamingantisme werd hij bijna weggestuurd van de universiteit. In 1910 promoveerde hij in de Germaanse filologie. Van 1910 tot 1913 was hij bestuurder van het "Vlaamsch Sekretariaat" te Antwerpen. Pas in 1912 werd hij doctor in Letteren en Wijsbegeerte. In datzelfde jaar - op 29 oktober - huwde hij met Stephanie Vetter, een Nederlandse schrijfster die hij had leren kennen op een congres. In 1913 kreeg hij een vertalersfuncite bij de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Hij verhuisde naar Brussel. In datzelfde jaar werd zijn zoon Erik (Kiki) geboren. In augustus 1914 brak de eerste wereldoorlog uit en werd hij gemobiliseerd en ingezet ter verdediging van de Maasforten. Op 22 augustus 1914 werd hij zwaar getroffen door kogels en granaatscherven. Hij werd als krijgsgevangene weggevoerd naar Duitsland (Erfurt) waar hij een tijd zwaar ziek was. Begin 1915 werd hij vrijgelaten en bereikte hij via Zwitserland Le Havre, waar hij in het Belgisch leger nog administratieve functies vervulde tot hij in 1916 om gezondheidsredenen definitief werd vrijgesteld. De rest van de eerste wereldoorlog bleef hij in Frankrijk in dienst van de Belgische regering. Hij was in die periode correspondent van verschillende tijdschriften en had sympathie voor het activisme. Na de wapenstilstand in november 1918 trok hij terug naar Brussel en hervatte hij zijn taak in het parlement. Hij werd directeur van het Beknopt Verslag van de Kamer. In 1927 verhuisde hij naar Ukkel. Tijdens het interbellum. was hij medewerker aan verschillende kranten en tijdschriften, gaf hij op verzoek van culturele organisaties talrijke voordrachten en maakte zelfs literaire tournées in Duitsland. Hij leunde aan bij de Frontpartij en bleef hevig vlaamsgezind. Vanaf 1938 ging zijn gezondheid achteruit en leed hij aan angina pectoris. Tijdens de tweede wereldoorlog hield hij zich stil op litterair gebied. Een collega legde een knipseldossier aan van zijn activiteiten tijdens de oorlog. Bijgevolg leed hij na de tweede wereldoorlog zoals zovelen onder de repressie en werd hij drie maanden lang opgesloten in de gevangenis van Sint-Gillis. In eerste aanleg door de Krijgsraad in 1948 en in graad van beroep door het Krijgshof in 1949 werd hij telkens vrijgesproken. De spanningen leidden in 1948 tot een hartcrisis en extreme zwaarmoedigheid. In 1950 kreeg hij zijn politieke en burgerrechten terug en in 1951 ging hij met pensioen. In de periode dat hij geen inkomen had (1946-50) gaf hij voordrachten in heel Vlaanderen om in zijn onderhoud en dat van zijn familie te voorzien. Vanaf 1950 werd hij terug ten volle gereïntegreerd in de Vlaamse culturele wereld. Op een bepaald ogenblik was hij zelfs lid, voorzitter of erevoorzitter van liefst 54 organisaties. Hij werd ereburger van Averbode en Zichem.
Vanaf 1965 ging zijn gezondheid echter sterk achteruit. Op 5 januari van dat jaar had hij een zware hartaanval.
Jeugd- en oorlogservaringen waren de belangrijkste inspiratiebronnen van Ernest Claes. De oorlogsjaren en het krijgsgevangenleven tijdens de eerste wereldoorlog worden beschreven in "Namen 1914", "Bei uns in Deutschland" (1919) en "De vulgaire geschiedenis van Charelke Dop" (1923). De repressietijd na de tweede wereldoorlog wordt belicht in o.a. "Cel 269 (1952) en "Het was lente" (1953). Zijn internationale bekendheid heeft de schrijver echter de danken aan een reeks heimatromans, verhalen en novellen die zich afspelen in zijn geboortestreek en een aantal pitoreske figuren beschrijven. We denken hier vooral aan zijn bekendste werk "De Witte" uit 1920, "Wannes Raps" uit 1926, "Pastoor Campens Zaliger" uit 1935 en "Het leven en de dood van Victalis van Gille" uit 1951. Een   ander facet van zijn werk zijn de geromanceerde jeugdherinneringen zoals ze beschreven worden in "Jeugd" (1940) en "De oude klok " (1947). De veelzijdigheid van de schrijver blijkt uit "Kiki" (1925), een werk dat men een psychologische roman  mag noemen, en uit "Floere het Fluwijn" (1951), een dierenverhaal. Ernest Claes was en is een enorm populair schrijver. Hij was lid van de Vlaamse academie voor Taal en Letterkunde (vanaf 1934). In 1958 ontving hij voor zijn hele oeuvre de Prijs der Vlaamse provincies. Zijn werk werd in ettelijke talen vertaald, tot het in het Turks en Hebreeuws toe. "De Witte" werd tweemaal verfilmd. Andere werken ("Het schamel moederken", "Pastoor Campens", "Jeroom en Benzamien", "De moeder en de drie soldaten", "Daar is een mens verdronken", "De vulgaire geschiedenis van Charelke Dop")  werden bewerkt voor televisie. "Wij, heren van Zichem", een compilatie van verschillende verhalen, kende op de Vlaamse TV een gigantisch succes.
Ernest Claes overleed te Brussel op 2 september 1968. Hij werd begraven te Averbode in de schaduw van de abdijkerk (zie foto). Zijn geboortehuis te Zichem is ingericht als museum. Op de foto Ernest Claes en Jan Vercammen.


23:42 Gepost door Reginald | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.